Tuindorp Wandeling
[5-19] Buitenweg 1
<< ga terug of naar volgende locatie >>
De eerste bouwfase (1910 – 1916)
Een tuindorp naar Engels voorbeeld
Nadat een startkapitaal van 600.000 gulden is vergaard, klopt de aan Stork verbonden Hengelosche Bouwvereniging (HBV) aan bij de gemeente Hengelo. De totale bouwsom is namelijk begroot op zo’n een miljoen gulden. Maar met name het SDAP-deel van de gemeenteraad loopt niet bepaald over van enthousiasme. Men is er vooral bang voor dat de arbeiders die een woning op Tuindorp betrekken zich daarmee volledig overleveren aan hun werkgever, die dan tevens huurbaas is. Bovendien is men van mening dat er te weinig arbeiderswoningen gepland zijn. Uiteindelijk stemt de gemeenteraad dan ook tegen een subsidie.
De HBV neemt nu middels een aparte vennootschap zelf de financiering in de hand: er worden aandelen en obligaties uitgegeven. De familie Stork verwerft bijna de helft van de aandelen en ook de in het project participerende fabrikanten Dikkers en De Monchy (van de Nederlandse Katoenspinnerij) kopen een aanzienlijk deel. Ruim een derde deel van de obligaties wordt door de ‘Vereeniging van het Personeel van Stork’ verworven. En zo wordt Tuindorp ’t Lansink een wijk van en voor de werknemers van Stork.
Inmiddels is hoofdarchitect is Karel Muller, al druk aan de slag. Samen met de tuin- en landschapsarchitecten Pieter Wattez en Leonhard Springer werkt hij aan een plan voor een tuindorp van zo’n 300 woningen in het gebied dat omsloten wordt door de Julianalaan, Oelerweg, Buitenweg en Beckumerstraat.
Op 5 mei 1911 legt Frans, het zesjarige zoontje van C.F.Stork, de eerste steen voor het Tuindorp ‘t Lansink.
De straten
Overeenkomstig de Engelse voorbeelden zijn de straten breed (10 – 13 meter) en ze verlopen waar mogelijk van noord naar zuid. Zo kunnen de huizen optimaal van ochtend- en avondzon profiteren. Elk huis heeft een voortuintje (5 – 7 meter) dat door een muurtje van de straat gescheiden wordt. Achter de huizen komen ruime tuinen (15 – 20 meter) die uitkomen op een tuinpad, waardoor de huizen ook achterom bereikbaar zijn. Veel straten eindigen op een T-splitsing opdat langgerekte straten vermeden worden. En omdat bestaande bomen zoveel mogelijk in de wijk worden ingepast, wordt zo het landelijke karakter versterkt. De straten krijgen een verharde ‘macadam’-bovenlaag.
Waar de twee hoofdstraten (Lansinkweg en C.T. Storkstraat) elkaar kruisen, zal een “dorpsplein” komen. Dit plein wordt vernoemd naar de grondlegger van de Storkfabriek, C.T. Stork en het krijgt een waaierachtige klinkerbestrating. Aan het plein bevinden zich een overdekte winkelgalerij, een koffiehuis, een hotel en een bewaarschool.
De huizen
Net als in Engelse tuindorpen zijn vele huizen wit gepleisterd en wordt bij de bouw van de huizen gestreefd naar afwisseling in vorm (maximaal zes woningen onder één kap) en groepering. Bovendien staan woningen van alle huurprijzen door elkaar – de prijzen variëren van f 2,45 tot f 10 per week.
In de kleinere huizen wordt bewust met bestaande tradities gebroken: slaapkamers bevinden zich enkel nog boven en de keuken wordt verkleind opdat de woonkamer ook gebruikt wordt om in te leven. Alle huizen hebben een closet met waterspoeling en zijn aangesloten op de riolering. Woningen in het lagere huursegment hebben geen badkamer maar een zinken badkuip in de keuken. Die bevindt zich onder het aanrechtblad dat tegen het keukenraam opengeklapt kan worden. Zo wordt inkijk voorkomen. Keuken, bijkeuken en toilet hebben stenen vloeren en de gangen zijn met tegelvloeren uitgevoerd. Alle huizen bezitten een kelder of één meter diepe kelderkast. De verlichting is elektrisch en er kan op gas gekookt worden. Om de eenheid te bewaren worden de voortuinen door de HBV aangelegd en ingericht.
Aan het eind van de zomer van 1911 zijn de eerste 72 woningen bewoond. Op 23 juli 1914 wandelt koningin Wilhelmina al door de eerste straten van het tuindorp.
Looproute
(We gaan naar Buitenweg 7 ):
Nu kun je je omdraaien en oversteken naar Buitenweg 7.
<< ga terug of naar volgende locatie >>


